Home
Home


Home
Home
Home

Protestantse gemeente
Hoek van Holland


Geloven doe je Samen

Welkom!


Welkom op de website van de Protestantse Gemeente te Hoek van Holland. Actuele informatie kunt u vinden onder items: Zondagsbrief, Samenloop (kerkblad),
Kerkdiensten enz..    Wilt u weten hoe het pastoraat is verdeeld, kijk dan

bij Organisatie.   Kunt u uw benodigde informatie niet vinden neem dan
contact op met de geleding die u antwoord kan geven via de link Contact.   

Graag tot ziens in onze gemeente, want
Geloven doe je Samen.

Actueel

kerkdiensten


zondagsbrief


liturgie


agenda


samenloop

Over ons
contact


visie


organisatie

Geven

Anbi

Geloof

informatie

Overige info

KERKZOEKER


Nieuws


Archief


foto/film

Dorpskerk

Komende diensten                     


zondag 26 mei               10.00 uur           ds. W. Barendrecht uit Maassluis
Hemelvaart 30 mei         10.00 uur           ds. D. van Duijvenbode
zondag 02 juni               10.00 uur           ds. D. van Duijvenbode

Genesis 3 en 4


​1Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, 3‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ 4‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. 5‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als ​goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’


6De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. 7Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.


8Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ 12De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ 13‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’


14God, de HEER, zei tegen de slang:


‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,


het ​vee​ zal je voortaan mijden,


wilde dieren wenden zich af;


op je buik zul je kruipen


en stof zul je eten,


je hele leven lang.


15Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw,


tussen jouw nageslacht en het hare,


zij verbrijzelen je kop,


jij bijt hen in de hiel.’


16Tegen de vrouw zei hij:


‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,


zwoegen zul je als je baart.


Je zult je man begeren,


en hij zal over je heersen.’


17Tegen de mens zei hij:


‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,


gegeten van de boom die ik je had verboden.


Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,


zwoegen zul je om ervan te eten,


je hele leven lang.


18Dorens en distels zullen er groeien,


toch moet je van zijn gewassen leven.


19Zweten zul je voor je brood,


totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:


stof ben je, tot stof keer je terug.’


20De mens noemde zijn vrouw ​Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. 21God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw ​kleren​ van dierenvellen en trok hun die aan.


22Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van ​Eden​ om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van ​Eden​ de ​cherubs​ en het heen en weer flitsende, vlammende ​zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.


Adams zonen

41De mens, ​Adam, had gemeenschap met ​Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht ​Kaïn​ ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ 2Later bracht ze zijn broer ter wereld, ​Abel. ​Abel​ werd ​herder, ​Kaïn​ werd ​landbouwer. 3Op een keer bracht ​Kaïn​ de HEER een ​offer​ van wat hij had geoogst. 4Ook ​Abel​ bracht een ​offer; van de ​eerstgeboren​ dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte ​Abel​ en zijn ​offer​ op, 5maar voor ​Kaïn​ en zijn ​offer​ had hij geen oog. Dat maakte ​Kaïn​ woedend, zijn blik werd donker. 6De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de ​zonde​ op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8Kaïn​ zei tegen zijn broer ​Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9Toen vroeg de HEER: ‘Waar is ​Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ​Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het ​bloed​ van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het ​bloed​ van je broer te ontvangen, het ​bloed​ dat jij vergoten hebt. 12Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13Kaïn​ zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte ​Kaïn​ met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16Toen ging ​Kaïn​ bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod, een land ten oosten van ​Eden.


17Kaïn​ had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Henoch ter wereld. ​Kaïn​ was toen een stad aan het bouwen en hij noemde die Henoch, naar zijn zoon. 18Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël was de vader van Metusaël en Metusaël was de vader van Lamech. 19Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. 20Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in ​tenten​ leven en ​vee​ houden. 21Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de ​lier​ of de ​fluit​ spelen. 22Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die ​brons​ en ijzer bewerken. De zuster van Tubal-Kaïn​ heette Naäma. 23Lamech zei tegen zijn vrouwen:


‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg!


Vrouwen van Lamech, luister naar mij!


Wie mij verwondt, die sla ik dood,


zelfs wie mij maar een striem toebrengt.


24Kaïn​ wordt zevenmaal gewroken,


Lamech zevenenzeventigmaal.’


25Opnieuw had ​Adam​ gemeenschap met zijn vrouw, en zij bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem ​Set, ‘want,’ zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van ​Abel, die door ​Kaïn​ is gedood, een ander ​kind​ gegeven.’ 26Ook ​Set​ kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.

Dorpskerk