Home
Home


Home
Home
Home

Protestantse gemeente
Hoek van Holland


Geloven doe je Samen

Welkom!


Welkom op de website van de Protestantse Gemeente te Hoek van Holland. Actuele informatie kunt u vinden onder items: Zondagsbrief, Samenloop (kerkblad),
Kerkdiensten enz..    Wilt u weten hoe het pastoraat is verdeeld, kijk dan

bij Organisatie.   Kunt u uw benodigde informatie niet vinden neem dan
contact op met de geleding die u antwoord kan geven via de link Contact.   

Graag tot ziens in onze gemeente, want
Geloven doe je Samen.

Actueel

kerkdiensten


zondagsbrief


liturgie


agenda


samenloop

Over ons
contact


visie


organisatie

Geven

Anbi

Geloof

informatie

Overige info

KERKZOEKER


Nieuws


Archief


foto/film

Dorpskerk

Komende diensten                     


zondag 23 juni               10.00 uur           ds. D. van Duijvenbode    Heilig Avondmaal

zondag 30 juni               10.00 uur           ds. B. Schoone uit Poeldijk
zondag 07 juli                10.00 uur           ds. D. van Duijvenbode

  

Genesis 11,12 en 13


​1Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. 2Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich. 3Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. 4Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ 5Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. 6Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de HEER, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. 7Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. 8De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. 9Zo komt het dat die stad ​Babel​ heet, want daar bracht de HEER verwarring in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde hij de mensen over de hele aarde.


Van Sem tot Abram

10Dit zijn de nakomelingen van ​Sem.


Toen ​Sem​ 100 jaar oud was, verwekte hij Arpachsad, twee jaar na de zondvloed. 11Na de geboorte van Arpachsad leefde ​Sem​ nog 500 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


12Toen Arpachsad 35 jaar was, verwekte hij Selach. 13Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


14Toen Selach 30 jaar was, verwekte hij Eber. 15Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


16Toen Eber 34 jaar was, verwekte hij Peleg. 17Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


18Toen Peleg 30 jaar was, verwekte hij Reü. 19Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


20Toen Reü 32 jaar was, verwekte hij Serug. 21Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


22Toen Serug 30 jaar was, verwekte hij Nachor. 23Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


24Toen Nachor 29 jaar was, verwekte hij Terach. 25Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.


26Toen Terach 70 jaar was, verwekte hij ​Abram, Nachor en Haran.


Terach

27Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte ​Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte ​Lot; 28hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de ​Chaldeeën, in zijn geboorteland. 29Abram​ en Nachor trouwden allebei. ​Abrams​ vrouw heette ​Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska. 30Sarai​ was onvruchtbaar, zij kreeg geen ​kinderen.


31Terach verliet Ur, de stad van de ​Chaldeeën, en nam zijn zoon ​Abram​ met zich mee, evenals zijn kleinzoon ​Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter ​Sarai, ​Abrams​ vrouw. Samen gingen ze op ​weg​ naar ​Kanaän. Maar toen ze in ​Charan​ waren aangekomen, bleven ze daar wonen. 32Terach leefde tweehonderdvijf jaar. Hij stierf in ​Charan.


Abram naar Kanaän

121De HEER zei tegen ​Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je ​familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.


2Ik zal je tot een groot volk maken,


ik zal je ​zegenen, ik zal je aanzien geven,


een bron van ​zegen​ zul je zijn.


3Ik zal ​zegenen​ wie jou ​zegenen,


wie jou bespot, zal ik ​vervloeken.


Alle volken op aarde zullen wensen


gezegend te worden als jij.’


4-5Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, 6trok ​Abram​ het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de ​Kanaänieten. 7Maar de HEER verscheen aan ​Abram​ en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde ​Abram​ op die plaats een ​altaar​ voor de HEER, die aan hem verschenen was. 8Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van ​Betel​ ligt, en ergens ten oosten van ​Betel​ en ten westen van Ai sloeg hij zijn ​tent​ op. Hij bouwde er een ​altaar​ voor de HEER en riep er zijn naam aan. 9Steeds verder reisde ​Abram, in de richting van de Negev.


Abram en Sarai in Egypte

10Eens brak er in het land hongersnood uit. ​Abram​ trok naar ​Egypte​ om daar tijdelijk te gaan wonen, want de hongersnood was zeer zwaar. 11Toen hij op het punt stond ​Egypte​ binnen te trekken, zei hij tegen zijn vrouw ​Sarai: ‘Luister, ik weet heel goed dat jij een mooie vrouw bent. 12Als de ​Egyptenaren​ je zien, zullen ze denken: Dat is zijn vrouw, en dan zullen ze jou in leven laten, maar mij zullen ze doden. 13Zeg daarom dat je mijn zuster bent, dan kom ik er dankzij jou misschien goed vanaf en loopt mijn leven geen gevaar.’ 14Inderdaad was ​Abram​ nog maar nauwelijks in ​Egypte​ of de ​Egyptenaren​ zagen dat ​Sarai​ een bijzonder mooie vrouw was. 15Ook de officieren van de ​farao​ merkten haar op. Ze vertelden de ​farao​ zo enthousiast over haar dat hij de vrouw naar zijn paleis liet overbrengen. 16En vanwege haar werd ​Abram​ door de ​farao​ met geschenken overladen: hij kreeg schapen en ​geiten, runderen, ezels, ​slaven​ en ​slavinnen, ezelinnen en ​kamelen.


17Maar de HEER trof de ​farao​ en zijn hof met zware plagen om wat er gebeurd was met ​Abrams​ vrouw ​Sarai. 18Toen ontbood de ​farao​ ​Abram. ‘Wat hebt u mij aangedaan!’ zei hij. ‘Waarom hebt u me niet verteld dat ze uw vrouw is? 19Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is? Nu heb ik haar tot vrouw genomen. Hier is uw vrouw weer, neem haar mee en verdwijn!’ 20En op bevel van de ​farao​ werd ​Abram, met zijn vrouw en al zijn bezittingen, onder geleide het land uit gebracht.


131Vanuit ​Egypte​ trok ​Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. ​Lot​ ging met hem mee.


Scheiding tussen Abram en Lot

2Abram​ was bijzonder rijk: hij had veel ​vee, zilver en goud. 3Vanuit de Negev trok hij geleidelijk verder, tot aan ​Betel, tot aan de plaats tussen ​Betel​ en Ai waar zijn ​tent​ vroeger al had gestaan 4en waar hij toen een ​altaar​ had gebouwd. Daar riep ​Abram​ de naam van de HEER aan.


5Ook ​Lot, die met ​Abram​ was meegekomen, bezat schapen, ​geiten, runderen en ​tenten. 6Beiden bezaten zo veel ​vee​ dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen. 7Hierdoor ontstond er ruzie tussen de ​herders​ van ​Abrams​ ​vee​ en de ​herders​ van Lots ​vee, en ook woonden in die tijd de ​Kanaänieten​ en de Perizzieten nog in het land. 8Daarom zei ​Abram​ tegen ​Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw ​herders​ en de mijne? We zijn toch ​familie? 9Het is maar beter dat we uiteengaan. Het hele land ligt voor je open. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’ 10Lot​ liet zijn blik rondgaan en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de HEER werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de HEER en als ​Egypte. 11Daarom koos ​Lot​ voor zichzelf de Jordaanvallei en trok in oostelijke richting. Zo gingen ze uiteen. 12Abram​ bleef in ​Kanaän​ wonen, maar ​Lot​ sloeg zijn ​tenten​ op bij de steden in de vallei. Zijn woongebied strekte zich uit tot aan Sodom; 13de mensen daar waren slecht, ze zondigden zwaar tegen de HEER.


14Nadat ​Lot​ was weggegaan, zei de HEER tegen ​Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. 15Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. 16En ik zal je zo veel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. 17Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven.’ 18Toen brak ​Abram​ op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een ​altaar​ voor de HEER.

Dorpskerk